![]() | ![]() |
| Jan Sleutels : Index : Miscellaneous texts | Public lectures |
|
Symposium over Virtual Reality, 13 mei 1998, TU Delft DE KELDERS VAN CYBERSPACE Welke invloed zal VR hebben op mens en maatschappij? Bijna onopgemerkt is ons begrip van ervaring aan het veranderen. Maar als je in de kelders van cyberspace kijkt, zie je dat het gaat om een ontwikkeling die al veel langer aan de gang is. Is dat goed of slecht? Kan het worden teruggedraaid? InleidingIk ben een filosoof en dat schept bepaalde verwachtingen en verplichtingen. Wanneer het gaat om nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij, in de cultuur en in de techniek, heb je twee soorten van filosofen. De ene soort is de enthousiast, de optimist, de man of vrouw die de nieuwe mogelijkheden die zich aandienen met open armen verwelkomt. De andere soort is de zeurpiet, de zwartkijker, een figuur die allerlei bedenkingen heeft en gevaren ziet. Laat ik een paar voorbeelden geven. De Engelse filosoof Bertrand Russell, rond de vorige eeuwwisseling één van de grondleggers van de mathematische logica (Principia Mathematica), zag absoluut niets in de telefoon. Het idee alleen al dat je altijd onmiddellijk bereikbaar zou moeten zijn, dat je door een belletje gesommeerd zou worden voor een oppervlakkig onderhoud met iemand die je eigenlijk helemaal niet wilt spreken... Gisteren las ik een interview met de Belgische filosoof Arnold Cornelis ("De personal computer is zijn passie, communicatie is zijn drijfveer, de filosofie is zijn leven", SAFE, mei 1998), waarin hij zijn visie op de 21e eeuw ontvouwt. Dat is een heel ander type. Het leven zal steeds leuker worden in de toekomst, zegt hij, mede vanwege de automatisering, nieuwe communicatietechnieken en gelijke kansen en mogelijkheden voor iedereen. Dichter bij huis, op computergebied, kennen velen van jullie vermoedelijk een typische positivo in de persoon van Daniel Dennett, hier te lande mede bekend vanwege zijn deelname aan VPRO's Een schitterend ongeluk. Er zijn natuurlijk ook zeurpieten op computergebied. Zo publiceerde Hubert Dreyfus van MIT in 1972 zijn geruchtmakende boek What computers can't do, sinds jaar en dag een doorn in het oog van zijn AI-collega's. In 1992 verscheen de zoveelste herdruk waarin ook de nieuwste ontwikkelingen, zoals neurale netwerken, een plaats krijgen. De titel is inmiddels What computers still can't do. Een van Dreyfus' inspiratiebronnen is overigens een andere notoire zwartkijker, de Duitse filosoof Martin Heidegger, die met een zekere afschuw de onafwendbaarheid van het tijdperk van de informatisering predikte, met alle levensverschraling en vervlakking die hiermee gepaard gaat. Goed, er zijn dus zeurpieten en optimisten bij de filosofen. Ik ben van nature een optimist. En als het over computers, cyberspace en VR gaat, kan ik ronduit enthousiast worden. Ik geef les in de metafysica, wat op zich klinkt als een wat vaag, wollig en stoffig vak. Maar als je tegenwoordig 'metaphysics' intikt in een search engine zoals Alta Vista, krijg je onverwacht veel treffers, ruim over de honderdduizend, terwijl filosofen al meer dan honderd jaar proclameren dat de metafysica dood is. Negentig procent van die treffers is New Age en gaat over kristallen, de hogere orde, bewustzijnsverruiming en blazen op de diggeredoo. Vijf procent gaat over dode filosofen -- interessant, maar voor mij bevatten die sites weinig nieuws. De spannendste sites zitten in de laatste vijf procent, waar het gaat over zulke zaken als 'liquid ontology', of hoe je voorwerpen moet representeren als dingen met bepaalde eigenschappen, of wat beweging eigenlijk is. Daar kan ik dus heel enthousiast van worden. Maar hier ga ik proberen te zeuren. Misschien is zeurpiet niet echt het goede woord. Plaaggeest heb ik liever. Toch gaat het zeker niet om een vrijblijvende plagerij. VR is het buzzword van de jaren '90, misschien zelfs van de jaren '0 in de volgende eeuw, zoals AI dat in de jaren '70 en '80 was. Er gaat veel verschrikkelijk geld om in die branche. En zoals ik zal betogen gaat het om ontwikkelingen die diep ingrijpen in onze psychologie en in onze maatschappij. Ik zal vijf stellingen over VR poneren. De stellingen zijn misschien wat luidruchtig en plaatselijk ongenuanceerd, maar met vleierij schieten we ook niets op. Nuance is voor de discussie.
1. VR is een gevaarlijk begripHet begrip 'VR' is gevaarlijk vaag en rekbaar, ongedefinieerd en ondefinieerbaar, net zo gevaarlijk als ooit 'AI'. Het is een parapluterm die gebruikt wordt voor allerhande situaties en processen waarbij een werkelijkheid wordt gesimuleerd waarmee een of meer personen interactief kunnen communiceren. Je voelt al dat ik het begrip 'communicatie' hier aan het oprekken ben. Je communiceert met een persoon heel anders dan met een tafel of met een deur. En toch (zo gaat dat in het cyberspace-denken) hebben wij tegenwoordig de neiging om in al die gevallen te spreken van vormen van informatie-overdracht. Op de keper beschouwd is telefonie al een vorm van VR, neem ik aan, evenals de wondere wereld van het WWW met zijn homepages en digitale steden, de virtuele postvakken van je emailserver, cyberkolonies, hands-on computersimulaties zoals de Flight Simulator, of patiëntensimulaties in de geneeskunde, en ga zo maar door. Het is kortom een breed spectrum aan communicatie- en interactiemogelijkheden dat wordt bestreken door een term als 'VR'. Als je dan over de betekenis ervan voor mens en maatschappij probeert na te denken, stuit je al gauw op problemen. Er zijn zoveel verschillende vormen, toepassingen en uitingen, dat er altijd wel iets bij zit met de glans van het nieuwe, altijd wel iets nuttigs en altijd wel iets dat fout is. Als je probeert te generaliseren steekt een storm van protest op, of je oordeel nu positief is ("Ja, maar dat geldt beslist niet voor kinderporno en cyberorgasmes") of negatief ("Maar wij houden ons alleen met de technologie bezig"). Laat ik hier gemakshalve onderscheiden tussen VR in enge zin en VR in ruime zin. In ruime zin laat ik 'VR' staan voor cyberspace, ongeveer zoals zojuist omschreven. In het 'enge' geval heb ik het over directe, real-time sensorische en motorische interactie met een computer. Daarbij moet tenminste voldaan zijn aan de volgende vier voorwaarden:
Mijn volgende twee stellingen gaan in het bijzonder over VR in enge zin. De laatste twee stellingen richten zich vervolgens weer op het bredere perspectief. 2. VR is op zich een slechte zaak.VR in engere zin is vaak handig, maar het zou overbodig of zelfs verboden moeten zijn. Waar gaat het bij de feitelijke of beoogde toepassingen van 'enge VR' als regel om? Ofschoon de toepassingen op dit moment veelal nog experimenteel zijn, wordt vaak genoemd het aanleren van bepaalde skills of het trainen van vooral manuele vaardigheden, het indrillen van routines, het op afstand besturen van robots, het uittesten van ideeën voor vormgeving en planning (denk aan een virtueel huis, een snelweg of stad, of maatregelen voor calamiteiten) - en dat alles natuurlijk op een manier die goedkoper en/of minder gevaarlijk is voor de betrokkenen dan echte oefening, test of uitvoering. Begin jaren '80 betichtte de Amerikaanse filosoof John Searle de AI-gemeenschap van een tendentieus en dubbelzinnig gebruik van het woord 'AI'. Volgens hem moet je tenminste onderscheiden tussen zwakke AI (de computer is een handige tool, meer niet) en sterke AI (een intelligente computer werkt net als de menselijke geest, en omgekeerd). Misschien zal het VR vergaan zoals het de AI is vergaan. Ooit verwachtte men nog in dit decennium een algemeen intelligente machine te creëren (sterke AI). Nu richt iedereen zich op het analyseren en programmeren van specifieke problemen en oplossingen m.b.v. de computer (zwakke AI), sommige daarvan weliswaar heel complex (een sprekende, lezende, schrijvende, zelfs antwoordende machine), maar wie zal nog durven beweren dat ooit (weldra?) de computer zal begrijpen, zoals de vroege voorstanders van AI stelden? Die vraag is in AI-kringen gewoon verdwenen. Misschien moeten we nu ook gaan denken in termen van zwakke VR en sterke VR. Zwak: sommige interfaces zijn handiger tools dan andere. Of sterk: de computer simuleert ('echt'!) de werkelijkheid. Ik wil mijn hand niet overspelen: de computertechnieken waar het bij VR-in-enge-zin om gaat kunnen beslist een handig hulpmiddel zijn, net zoals een boormachine, een schietlood en een centimeter ook van pas komen als je een huis bouwt. We zouden dit, zoals gezegd, 'zwakke VR' kunnen noemen, naar analogie met de AI. Maar de pretentie van deze toepassingen, als je op de enthousiaste verhalen afgaat, gaan vaak veel verder. VR is dan niet zomaar een rekenmodel of een hulpmiddel, maar een heuse simulatie van wat er in werkelijkheid gebeurt. Sterke VR, dus. Op deze manier wordt het virtueel geoefende van meet af aan bekleed met de glans van succes, terwijl succes toch bepaald niet verzekerd is. Oefenen op een simulatie is nu eenmaal niet hetzelfde als oefenen op de werkelijkheid zelf. Een chirurg die virtueel heeft leren snijden kan ongetwijfeld snijden, ook reëel, maar hij is niet voorbereid op (laat staan getraind in) de rijkdom en complexiteit van een echte operatie, de vermoeidheid van een lange dienst, een zenuwtrek van een assistent, de onwaarschijnlijke charme van een verpleegkundige, of de problemen thuis. Exemplum docet, exempla obscurant. Ik laat het hierbij. 3. VR is niet nieuwDe technologie wel, natuurlijk, maar het idee zeker niet. Waar tref je virtual reality dan al eerder aan? In de filosofie, natuurlijk! In de middeleeuwen al bij de Arabische filosoof Ibn Sina (Avicenna), maar echt beroemd ermee geworden is de Franse filosoof en wiskundige René Descartes (1596-1650). In zijn Meditaties over de eerste filosofie (1641-1647) lanceerde Descartes een gedachtenexperiment waarin hij onderzoekt welke zekerheden hij zou kunnen betwijfelen. Ook de indrukken die zijn zintuigen hem geven komen aan bod. Het is denkbaar, aldus Descartes, dat mijn zintuigelijke indrukken niet worden veroorzaakt door een echte wereld, maar door een zeer machtig wezen dat deze wereld simuleert (Genius malignus, Dieu trompeur). Een kleine twintig jaar geleden bedacht de Amerikaanse filosoof Hilary Putnam een diepzinnige, eigentijdse variant op Descartes' redenering, een gedachtenexperiment dat nog dichter bij het idee van 'enge VR' komt (Reason, truth and history, 1981). Is het mogelijk, is het denkbaar, dat alle bewuste wezens eigenlijk 'brains in a vat' zijn, waarvan alle efferente en afferente zenuwen zijn aangesloten op een ongetwijfeld enorme computer die ons de illusie van een lichaam en van de werkelijkheid geeft? De werkelijkheid die wij menen te ervaren zou dan een door de computer gesimuleerde werkelijkheid zijn, een niet-reële, virtuele werkelijkheid. Kan dat? (Volgens Putnam kan het niet. Hij toont aan dat het logisch onmogelijk is om naar waarheid de hypothese te denken dat alle bewuste wezens 'brains in a vat' zijn. Als er ook maar één wezen is dat geen 'brain in a vat' is -- een 'evil scientist' die de computer heeft geprogrammeerd -- is het overigens wel mogelijk. Lees Putnams boek voor de details.) Ik vertel dit verhaal overigens niet om de filosofie met de eer te willen laten strijken - dat zij de VR al eerder zou hebben 'uitgevonden' dan de rest van de wetenschap. Dat is niet interessant - want natuurlijk hebben de filosofen het wiel al eerder uitgevonden en zij zullen niet nalaten om het nog eens te doen als dat nodig is. Waar het mij om gaat is een bepaalde manier van kijken naar en denken over de mens en zijn situatie in de wereld. Een manier van denken over wat bewustzijn is, wat ervaring is, welke rol de zintuigen en het lichaam daarbij spelen. René Descartes heeft die denkwijze misschien niet uitgevonden, maar zij is in elk geval wel door hem geboekstaafd en verspreid. En ons huidige denken, met name ook ons denken over 'virtual reality' en aanverwante zaken, is doordrenkt daarvan. 4. VR ontspruit aan een denkwijze die potentieel schadelijk is voor ons welzijn en voor de volksgezondheidVR en cyberspace veranderen onze manier van denken. Sommige commentatoren zien dat als een vooruitgang, zoals Michael Heim (The metaphysics of virtual reality, 1993). Anderen worden eerder boos en reageren met verbazing en ongeloof over zoveel domheid en volksverlakkerij, zoals Theodore Roszak (The cult of information. Computerfolklore en de ware kunst van het denken, 1986). Weer anderen spreken hun grote zorg uit over de ontwikkelingen. Een voorbeeld daarvan is de psycholoog Edward Reed, bij sommigen van jullie misschien bekend als de biograaf van J.J. Gibson, de grondlegger van de ecologische perceptieleer. Van Reed verscheen twee jaar geleden een klein boek getiteld The necessity of experience (1996). Het gaat over wat Reed noemt primaire en secundaire ervaring. Reed spreekt zijn zorg uit over het feit dat er steeds meer secundaire ervaring komt en steeds minder primaire ervaring. Wat bedoelt hij hiermee? Primaire ervaring is het soort waar je een baan mee krijgt - sollicitatie-ervaring. Een primair ervaren persoon "was trained on the job", terwijl secundaire ervaring wordt gehaald uit boeken, uit simulaties, van TV of CD-ROM - overal vandaan behalve uit de 'echte' grote wereld. Typisch voor secundaire ervaring is bovendien dat zij wordt verkregen of aangeleerd m.b.v. kunstmatig verarmde situaties, door training op een dataset die speciaal geselecteerd is om een enkele geïsoleerde, welbepaalde, zorgvuldig afgebakende taak of truc te leren. Reed maakt zich dus grote zorgen over de toename van secundaire ervaring ten koste van primaire ervaring. Die ontwikkelingen gaan tegenwoordig heel erg snel. Let wel, het gaat hier om veel méér dan VR (in enge zin) alleen: het gaat om alle ontwikkelingen waarbij directe interactie met de wereld wordt verdrongen door surrogaat-interactie. Die ontwikkelingen beïnvloeden ons normale, alledaagse denken, waarnemen, voelen en verwachten. Zelfs het tempo waarin je ervaring wil opdoen (informatie uit de wereld tot je neemt) wordt gaandeweg bepaald door het tempo van video-clips. Heel onze interactie met de werkelijkheid wordt in toenemende mate een uitwisseling van 'informatie. En daarmee treedt een zekere vervlakking op -- alles wordt even belangrijk of onbelangrijk, als iets je niet bevalt zap je naar een ander kanaal of naar een andere bron. Het is dezer dagen heel normaal, met het oog op de komende verkiezingen, om mensen te horen zeggen dat ze nog twijfelen tussen Groen Links en de VVD. Twintig jaar geleden was zoiets nog ondenkbaar, gewoon omdat de tegenstelling tussen die partijen als te groot werd ervaren. Nu wordt partij-kiezen ervaren als een optelsom van scores op diverse verkiezingsitems. Als kiezer turf je gewoon de meest actuele scores en stem je op de meestscorende partij -- welke dat ook is. De items kunnen zelfs per week veranderen. Je stem verandert dan gewoon mee. Waarom gebeuren deze dingen? Volgens Reed voornamelijk om economische redenen. Maar er zit een dieper filosofisch motief achter, een verschuiving in ons denken over wat 'ervaring' eigenlijk is. Denk even terug aan de chirurg die virtueel heeft leren opereren. Je reactie op dat voorbeeld was er vermoedelijk één van halve aarzeling. Natuurlijk is echt leren opereren beter. Maar toch: als de virtuele training maar goed (realistisch) genoeg is, kan het eigenlijk niet uitmaken. In de terminologie van Reed: wat de chirurg nodig heeft is primaire ervaring, natuurlijk. Maar hoe je die krijgt, wat de oorzaak ervan is geweest, kan eigenlijk niet uitmaken - of die oorzaak nou de 'echte' wereld was of een simulatie daarvan. Want het gaat niet om de oorzaken, het gaat om de effecten: als het effect op jou maar goed is, maakt het allemaal niets uit. De ontwikkelingen waar we hier de gevolgen van zien zijn oud, stokoud. Misschien zijn ze al zo oud als de filosofie, maar we moeten natuurlijk iemand de schuld geven. Descartes is een goede kandidaat. Of het nu een Dieu trompeur is of de echte wereld die mijn ervaringen veroorzaakt, dat was volgens Descartes irrelevant, zolang het effect op mij maar hetzelfde is - zolang mijn 'bewuste ervaringen' maar identiek uitpakken. Descartes wordt hiermee verantwoordelijk gesteld voor een bepaald beeld van de mens en zijn situatie in de wereld. De mens is een geest is die is opgesloten in een lichaam. Zo komt hij er ook bij om te denken dat die geest niet achter zijn zintuigen kan kijken. Menselijke ervaring, in deze visie, is eigenlijk niet meer dan een (beheersbare) interface tussen je bewustzijn en de wereld. Zo geformuleerd is VR, zelfs in enge zin, een van de scherpst denkbare formuleringen van de Cartesiaanse manier van denken. De effecten van die denkwijze zijn zoals gezegd zorgwekkend. VR en zijn consorten in cyberspace dragen eraan bij en zijn dus mede verantwoordelijk voor eventueel aangerichte schade. 5. Er is niets tegen te doenTegen die manier van denken valt niets te doen. Paradoxaal genoeg is ophouden met VR, met emailen en Internetten niet de oplossing voor het probleem, want het probleem zit veel dieper. Het geeft te denken. Ik hoop althans dat het te denken geeft. BibliografieHubert Dreyfus, What computers still can't do. A critique of artificial reason (MIT, 1972/1979/1992). Michael Heim, The metaphysics of virtual reality (Oxford UP, Oxford/New York, 1993). Hilary Putnam, Reason, truth and history (Cambridge UP, Cambridge, 1981). Edward S. Reed, The necessity of experience (Yale UP, New Haven/London, 1996). Theodore Roszak, The cult of information. The folklore of computers and the true art of thinking (Pantheon Books, New York, 1986). Josehph Weizenbaum, Computer power and human reason. From judgement to calculation (Penguin, 1976/1984).
|
|