Jan Sleutels : Index : Teaching : Farrell | Miscellaneous texts

Over: Frank Farrell, Subjectivity, realism and postmodernism. The recovery of the world (Cambridge UP, Cambridge, 1994).

ENKELE OPMERKINGEN BIJ FARRELL
Jan Sleutels

Farrell's Subjectivity, realism and postmodernism is inderdaad een vreemd boek. Wat ik er interessant en aantrekkelijk aan vind is het feit dat het een in Engelstalige kringen niet courante, op Hegel en Blumenberg geënte analyse van (en dito alternatief voor) recente ontwikkelingen in de filosofie geeft, daaronder begrepen 'grand visions' zoals die van Rorty en Putnam, maar ook ontwikkelingen op allerlei deelterreinen zoals cognitieve filosofie en ethiek. De verwijzing is overigens naar Hans Blumenberg, Die Legitimität der Neuzeit. Bovendien stroken sommige van Farrell's suggesties om bestaande impasses op deze terreinen te doorbreken met idee«n die ik in mijn proefschrift, met name in hfdstt. 1 en 8, heb aangeduid.

Net als vele andere filosofen (onder wie zo verschillende wezens als Philipse, Bulhof en ikzelf), maar vooral in navolging van Hans Blumenberg, situeert Farrell de geboorte van de moderne wijsbegeerte tegen de achtergrond van het middeleeuws nominalisme en voluntarisme, via humanisme en reformatie 'uitmondend' in de wetenschappelijke revolutie in de 16e/17e eeuw. Wat er toen gebeurde volgens Blumenberg (zie Farrell, hfdst. 1) is dat de intelligibiliteit van de werkelijkheid fundamenteel buiten het bereik van het kennende subject werd geplaatst. Als reactie hierop vond een 'Selbstbehauptung des Subjekts' plaats: het subject construeerde voortaan een voor hem kenbare wereld als (op de een of andere wijze) zijn eigen product (ideas, phaenomenon, sense-data, of wat dan ook). In deze Selbstbehauptung ligt volgens de standaardanalyse de historische oorsprong van de Cartesiaanse fixatie op het subject en van de epistemologische obsessie die de moderne filosofie kenmerkt.

Blumenberg/Farrell betoogt nu dat het patroon dat de geschiedenis van de wijsbegeerte kenmerkt, en dat met name ook werkzaam is in de moderne en hedendaagse wijsbegeerte, een 'demiurgisch' of 'theologisch' patroon is: zoals de Antieke wijsbegeerte rol van de wereld (in de metafysica en in de kennisleer) verabsoluteerde, zoals in de Middeleeuwen gaandeweg de rol van God in dezen werd verabsoluteerd, zo verabsoluteert de moderne filosofie de rol van het kennend subject (en zo neigt de hedendaagse filosofie naar een verabsolutering van de rol van de taal, of van de gemeenschap, of van de geschiedenis, of van ... & cetera). Farrell mobiliseert in dit verband tal van bouwkundige en natuurkundige metaforen om zijn visie op de ontwikkeling van de filosofie duidelijk te maken. Zo spreekt hij van een "oude filosofische architectuur", "a space for thought carved out by late medieval and early modern work", een "energy system" waarin idee«n een "inertia" en een bepaald "momentum" hebben. Karakteristiek zijn passages als de volgende:

"A certain conception develops that is located in a rich context of thought. Then its more objectionable metaphysical (theological and religious) aspects are removed, and one believes one can keep the structure that remains, without that structure being affected by the loss of much of the larger system to which it belonged" (Farrell, p. 152)

Farrell's beeldspraak in dit verband lijkt op het idee van een 'conceptual state space' in mijn proefschrift (hfdst. 2); het zou de taak van de metafysica zijn, opgevat als categoriale analyse, om de structuur van de 'denkruimte' aan het licht te brengen, te verhelderen, en zo mogelijk zelfs te 'vergroten' of te 'verbeteren'.

Farrell past zijn demiurgische analyse toe op hedendaagse discussies in de cognitieve filosofie (internalisme vs. externalisme, hfdst. 2), in de taalfilosofie (hfdst. 3), in de metafysica en epistemologie (Rorty's linguâstisch en cultureel idealisme, hfdst. 4; realisme vs. antirealisme, hfdst. 5), in de ethiek (moreel realisme vs. projectivisme, hfdst. 6), in de filosofie van het subject (dreigende eliminatie van qualia en bewustzijn e.d. in het fysicalisme, hfdst. 7), en discussies omtrent postmodernisme (hfdst. 8).

Wat kunnen wij ervan leren?
Wat is de status van Farrell's diagnose? Wat bedoelt hij met de stelling dat problemen en discussies in de moderne en hedendaagse wijsbegeerte worden beheerst door een 'demiurgisch patroon'? Je kunt Farrell's suggestie volgens mij het best vergelijken met wat (bijvoorbeeld) Rorty en Wittgenstein zeggen over 'patronen' in de filosofie. Rorty spreekt over "optional metaphors" die ons denken bepalen (bijvoorbeeld de belangrijke "ocular metaphor"), en Wittgenstein sprak over "a picture (nl. een beeld van de taal) that held us captive". Op eendere wijze ziet Farrell in navolging van Blumenberg een 'theologische' of 'demiurgische' denkdwang in de (moderne) wijsbegeerte, een patroon dat ons er telkens toe verleidt ¯¯n factor in een gegeven discussie te verabsoluteren, of dit nu de wereld is, het subject, de taal, de cultuur, of God (& cetera).

Je kunt met Farrell's analyse twee kanten op. Enerzijds zou je kunnen redeneren dat Farrell, door de historische contingentie van dit patroon aan de kaak te stellen, ons ervan wil doordringen dat dit patroon optional is, net zoals Rorty dit bedoelt. Anderzijds zou je met evenveel recht kunnen redeneren dat Farrell juist een historisch noodzakelijke ontwikkeling probeert te schetsen, in de lijn van Hegel, zodanig dat genoemde verabsoluteringen, stuk voor stuk eenzijdig, dienen te worden aufgehoben. Het netto effect van beide redeneringen is hetzelfde: filosofie kan 'vooruitgang' boeken door zich te ontdoen van de demiurgische denkdwang. (Pari ratione: de filosofie kan betere, namelijk minder eenzijdige, theoretische kaders aandragen voor empirisch-wetenschappelijk onderzoek.)

Een delicate balans van factoren
Farrell wijst erop (inmiddels in navolging van o.a. Hegel) dat het verabsoluteren van telkens één van de relevante factoren steevast tot filosofische impasses leidt. De geschiedenis wijst uit dat het in werkelijkheid gaat om een delicate balans van determinerende factoren, grofweg een balans tussen Aristoteles (wereld), Kant (subject) en Rorty (cultuur). Farrell introduceert hier het beeld van een 'determinacy triangle' (zie fig. 1). De geschiedenis van de filosofie vertoont een neiging om ten aanzien van elk van de drie factoren steeds hetzelfde 'theologische' of 'demiurgische' patroon te herhalen: steeds wordt ofwel de wereld, ofwel het zelf, ofwel de cultuur als allesbepalende factor aangewezen, zonder dat men erin slaagt de drie factoren in hun onderlinge samenhang te zien.

Figuur 1 Figuur 2

Farrell's driehoek kan volgens mij overigens correcter als een hexagram (wellicht zelfs als een willekeurige n-hoek!) worden beschouwd (zie fig. 2): telkens wanneer je één van de zes hoekpunten ervan veronachtzaamt stuit je op tegenvoorbeelden die in goed gekozen gedachtenexperimenten tot uitdrukking komen. Sla je bijvoorbeeld geen acht op de rol van de taal bij de bepaling van betekenis en rechtvaardiging, dan vind je de tegenargumenten van Sellars op je weg ('Empiricism and the philosophy of mind'); veronachtzaam je de gemeenschap, dan ontmoet je Rorty (Mirror) en Burge ('Individualism'); vergeet je de geest, dan kom je Fodor (RePresentations, Psychosemantics)) tegen; vergeet je het lichaam, dan kruisen Lakoff (Women, Fire and Dangerous Things) en Johnson (The Body in the Mind) je pad; vergeet je de wereld, dan ontmoet je Putnam (The meaning of 'meaning''); vergeet je de geschiedenis van je wereld, dan vind je Millikan ('Biosemantics', White Queen Psychology) tegen je. (En zo voort: dit is een betrekkelijk willekeurige greep uit de recente literatuur.)

Ter vergelijking: in mijn proefschrift ga ik niet uit van drie of zes factoren, maar beperk ik mij (al dan niet ten onrechte) tot een meer abstract tweetal, te weten 'subject' en 'object'. Net als Farrell benadruk ik in mijn proefschrift dat het noodzakelijk is om te komen tot een meer gebalanceerde visie op de determinerende factoren; in dat verband stel ik een relationistische visie voor. Hoe je zo'n balans in de praktijk handen en voeten moet geven is een belangrijke volgende vraag.

 

Last modified January 13, 2002 | Jan Sleutels | Email